Armoede: Inkomen huishouden ten opzichte van de armoedegrens (vanaf 01-01-2018)

Wat erin zit
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) hebben gezamenlijk een methode ontwikkeld om armoede in Nederland te meten. Voor 35 verschillende typen huishoudens is vastgesteld welke bedragen voor welke uitgavenposten minimaal nodig zijn om volwaardig mee te kunnen doen in de samenleving (de zogeheten minimumvoorbeeldbegrotingen). Deze vormen de basis voor de armoedegrenzen. Om vast te stellen of iemand in armoede leeft, wordt ook gekeken naar daadwerkelijke uitgaven van het huishouden en de financiële middelen: het besteedbaar inkomen en eventueel spaargeld of ander direct te besteden bezit, de (vrij opneembare) vermogensbuffer. Voor de meeste huishoudens zijn de maandelijkse uitgaven aan wonen, energie en zorg de grootste vaste lasten. Als er na het betalen van deze vaste lasten te weinig geld overblijft voor de andere basisbehoeften, dan is een huishouden (en de mensen die er deel van uitmaken) arm.
Meer informatie over het verkrijgen van toegang tot de data:
> https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/maatwerk-en-microdata/microdata-zelf-onderzoek-doen
### Methodiek
In aanvulling op de bronnen van de inkomens- en vermogensstatistiek worden de volgende gegevens gebruikt: - voorbeeldbegrotingen voor 35 huishoudenstypen - uitgaven aan wonen - uitgaven aan energie
Van niet alle huishoudens is het inkomen en vermogen waargenomen. Wanneer van een huishouden geen inkomen en vermogen is waargenomen, dan zijn alle velden die betrekking hebben op geldwaarden gevuld met "9999999999".
### Populatie
Huishoudens behorende tot de bevolking van Nederland op 1 januari van het verslagjaar (feitelijk ultimo van het jaar voorafgaand aan het verslagjaar). De armoedecijfers hebben betrekking op de bevolking die op 1 januari van het verslagjaar tot de particuliere huishoudens met een waargenomen inkomen behoort. Institutionele huishoudens (mensen in instellingen zoals verpleeghuizen en gevangenissen) behoren niet tot de doelpopulatie. Voor studentenhuishoudens kunnen geen armoedecijfers worden gepresenteerd. Er is namelijk geen goed beeld van hun inkomenssituatie, omdat ouderbijdragen onbekend zijn. Studentenhuishoudens behoren wel tot de doelpopulatie, maar deze groep wordt niet meegerekend in het aantal armen.